Wat kun je beter wel doen?


Hierbij geef ik je wat tips, let wel, het is geheel uit eigen ervaring maar ook wat algemene tips.


* Als je een aanval op voelt komen of deze je gewoonweg overvalt, blijf altijd rustig! Probeer rustig te blijven ademen en probeer je op je ademhaling te concentreren, dit leid namelijk af van het vervelende gevoel.

* Probeer niet te vluchten of weg te gaan uit de situatie waarin je jezelf op dat moment bevind. Als je dit wel doet, wordt het de volgende keer dat je daarheen gaat alleen maar moeilijker omdat je hersenen dat linken met 'de plek waar je een paniekaanval hebt gehad'.

* Praat erover met je omgeving! Voor mensen is het moeilijk omdat zij zich schamen en niet goed weten te verwoorden wat ze voelen maar ook al kan je omgeving niet voelen wat jij voelt, als ze het weten kunnen ze er natuurlijk rekening mee houden en je tot steun zijn of je helpen als je een paniekaanval hebt.

* Probeer iets te gaan doen, mijn eigen ervaring is dat als ik thuis een hevige paniekaanval op voel komen of deze ineens toegeslagen is, ga ik vaak iets doen wat me afleiding geeft op het vervelende gevoel en het denken aan hoe rot ik me wel niet voel. Dan kun je denken aan een kast opruimen, schoonmaken. Dat zet je denken opzij en bij mij werkt het, uiteindelijk is vaak ineens de aanval dan verdwenen.

* Als je kampt met paniekaanvallen en nog geen hulp heb gezocht, zoek dan hulp! Vaak is de eerste stap naar de huisarts gaan die je verschillende soorten hulp kan bieden. Vaak schrijven huisartsen therapie voor maar ook medicatie. Ik ben zelf geen voorstander van medicatie maar er zijn mensen die er wel baat bij hebben. Weet wel dat gebruik van medicijnen vaak van tijdelijke aard is en veel medicatie verslavend werkt. Vaak in combinatie met goede hulp van psychologen of psychiaters werkt het juist positief en zijn de medicijnen dus een tijdelijke ondersteuning.

* Probeer te sporten! Sporten is gezond maar ervaringen wijzen uit dat het ook de paniekaanvallen verminderde. Door sporten is je hartslag al hoger en je hersenen maken hierdoor ook het stofje Serotonine aan       ( stofje in de hersenen waar je je vrolijk en opgewekt door voelt.)

 

Wat kun je beter niet doen? 


* Ga niet de dingen uit de weg in het dagelijkse leven, dus ook niet de plaatsen waar je een paniekaanval hebt gehad. Zo krijg je vermijdingsgedrag en wordt je wereldje alleen maar kleiner en kleiner! Ik zeg vaak tegen mensen, kijk maar naar mij, ik ben alles gaan vermijden en het gevolg is dus dat ik thuis ben komen te zitten.

* Probeer suiker, koffie, thee en alcohol te vermijden! Dit werkt vaak sneller een paniekaanval op. Vervang koffie en thee door verse sapjes, water of kruidenthee. En eet natuurlijk gezond, vezels, groenten en fruit wat natuurlijk ook gezond voor een mens is!

* Probeer je altijd voor ogen te houden dat je niet dood gaat aan een paniekaanval, wat mensen als zodanig kunnen ervaren. Je hartslag is hoog door de enorme adrenaline die door je lijf stroomt, vandaar de hartkloppingen. Daarom is je ademhaling ook belangrijk, rustig door blijven ademen! ( Diep inademen door de neus, langzaam uit door de mond en hou dit een tijdje aan tot je vanzelf merkt dat je rustiger wordt.)

* Veel mensen die paniekaanvallen hebben, denken vaak bij iets wat zij lichamelijk voelen dat het zeer ernstig is. Zelf heb ik ook moeite mee, maar ik weet nu onderhand wel dat mijn hoofdpijn, vast zittende schouders, darm problemen voornamelijk stress zijn. En zeker in het begin dacht ik bij elk raar, lichamelijk iets wat ik voelde dat ik een ernstige ziekte zou kunnen hebben, wat niet het geval was en is. Veel mensen met paniek worden door de lichamelijke klachten en symptomen dus ook Hypochonder.  ( Hypochonder is een ander woord voor ziektevrees.) 


THerapie


Je hebt verschillende soorten therapie.

Hier noem ik enkele die vaak en over het algemeen gebruikt worden bij mensen met angst en paniekaanvallen.

Cognitieve gedragstherapie :
Dit is een vorm van psychotherapie. Het is een gestructureerde therapie vorm die op het nu en de toekomst is gericht. Eerst moet gekeken worden waar de vervormde 'foute' denk patroon is ontstaan. Door training bij de hulpverlener, in het echte leven zelf en met behulp van huiswerk kom je gaandeweg tot nieuwe, andere, positievere gedachten. Het is ontwikkeld voor behandeling voor depressiviteit maar inmiddels wordt cognitieve gedragstherapie ( ook wel CT genoemd) ook gebruikt voor onder andere angst en paniekstoornissen. Dit wordt het meest gebruikt als therapie vorm voor mensen met dit probleem.

EFT:
Ook wel Emotional Freedom Techniques genoemd.
EFT is een interventietechniek gericht op op het ontladen van een gevoel bestaande uit het afstemmen op een gevoel, het oproepen van een positief gevoel, gevolgd door het kloppen op het lichaam op specifieke locaties terwijl je afgestemd blijft op het negatieve gevoel. EFT is een prettige, veilige en zeer krachtige methode/techniek die je makkelijk van negatieve emoties, trauma, fobie, leerproblemen, depressies en meer kan bevrijden.
(Mijn psychologe heeft mij hier onder andere ook mee behandelt, ik pas de oefeningen nog steeds dagelijks toe zo is er ook EPT/TFT/EMDR zie links voor de site van mijn psychologe, daar staat alles ruim beschreven!)

EMDR:
Ook wel Eyemovement Desensitization and Reprocessing genoemd.
Dit is een kortdurende behandelmethode om nare ervaringen te verwerken. Het is een relatief nieuwe therapie bedoeld voor mensen die klachten houden na het meegemaakt te hebben van ingrijpende gebeurtenissen of bestemd voor mensen die een soort fobie hebben.      ( Zie links voor website EMDR stichting)

INTERAPY:
Interapy biedt een kortdurende, maar intensieve behandeling voor paniekklachten. Gemiddeld genomen duurt een behandeling 16 weken. De hele behandeling kun je vanuit huis volgen. Via internet wordt je begeleid door een psycholoog. De behandeling is geschikt voor milde en ernstige klachten en vraagt een tijdsbesteding van gemiddeld twee uur per week.
De behandeling begint met het uitgebreid in kaart brengen van de klachten en het verkrijgen van meer inzicht in de paniekaanvallen zelf. We vragen je dan om precies bij te houden wanneer paniekaanvallen zich voordoen en hoe een aanval er bij je uitziet.
Daarna oefen je  thuis met verschillende technieken om meer controle te krijgen over paniekklachten. Als je  zover bent, oefen je ook in de situaties waar je  paniekaanvallen verwacht. Op die manier leer je stap voor stap paniekaanvallen te verminderen en krijgt je de controle over je leven terug. De resultaten van Interapy zijn goed. Bij de mensen die de behandeling voor paniekklachten volgden, verminderde het aantal paniekaanvallen gemiddeld met bijna 75%.
Angst en stress namen af en de bewegingsvrijheid van mensen verbeterde opvallend. De behandeling is in samenwerking met de Universiteit van Amsterdam op werkzaamheid en effectiviteit onderzocht. Aanmelden kan via http://www.interapy.nl/template_home.php?id=0

De behandeling wordt door ziektenkostenverzekeraars volledig vergoed. Als je  twijfelt kun je geheel vrijblijvend online de screeningsvragenlijsten invullen. Daarna volgt een telefoongesprek met de behandelcoördinator, die zal samen met je bekijken of de behandeling bij je past.

Homeopatische middeltjes


Er bestaan verschillende soorten homeopatische middelen voor angst en paniekaanvallen, hieronder noem ik de meest bekende/gebruikte.


Neuraston:
Rustgevend en slaapbevorderend. Dit natuurmiddel met onder meer ginseng is rustgevend en ontspannend en helpt bij geestelijke druk. Ook ’s nachts kun je Neuraston gebruiken, het bevordert een natuurlijke, gezonde slaap. Zodat je 's ochtends uitgerust wakker wordt!

Ruval:
Ruval heeft op lichaam en geest een ontspannende en rustgevende invloed. Bij opgejaagde, sombere en onrustige gevoelens. In spannende tijden en in stresssituaties. Brengt het hoofd tot rust. Is ontspannend en rustgevend. Voor een goede gemoedstoestand.

Nervovit:
Nervovit bevat een geconcentreerd extract van de valeriaanwortel. De werkstoffen in dit extract hebben een rustgevende invloed op zwakke zenuwen, waardoor Nervovit geschikt is bij verschillende vormen van innerlijke onrust. Nervovit ontspant en verbetert de concentratie en is geschikt bij bijvoorbeeld examens of plankenkoorts.

Bach rescue spray:
Ontspant en stelt je gerust. Direct te gebruiken bij innerlijke onrust en/of stresssituaties. Op natuurlijke basis.

Passiflora complex:
Passiflora complex van A.Vogel is een zuiver natuurlijk middel dat werkt bij innerlijke onrust en stress-situaties, zwakke zenuwen en examenvrees. Met Passiflora complex verdwijnt de spanning en stress, terwijl lichaam en geest toch fris en alert blijven.

Valdispert:
Valdispert Rust. Valdispert Rust is een natuurlijk en plantaardig middel op basis van valeriaan. Valdispert Rust is ontspannend en rustgevend in stressvolle situaties, bij spanning en geestelijke inspanning en bevordert het concentratievermogen.
( Dit middel heb ik zelf een tijdlang geslikt, in het begin van het gebruik maakte het wel rustiger en meer ontspannen maar na een tijdje deed het voor mijn gevoel niets meer.)

Medicatie


Gezien ik zelf tegen medicatie ben omdat mijn lichaam maar weinig kan verdragen maar toch van mening ben dat het anderen misschien wel kan helpen, noem ik hieronder de bekende/meest gebruikte medicatie op.


Paroxetine:
( Voorheen ook wel bekend als Seroxat)
Bij depressieve patiënten is er vaak een tekort aan bepaalde chemische stoffen in de hersenen, zoals serotonine. Deze stoffen worden neurotransmitters genoemd. Ze zorgen voor de prikkeloverdracht tussen zenuwcellen in de hersenen, waardoor deze zenuwcellen met elkaar kunnen communiceren. Antidepressiva kunnen dit tekort opheffen, en zo de depressieve toestand van de patiënt verbeteren. De werking van citalopram bestaat uit een sterke en selectieve remming van de opname van serotonine.

( Ik heb dit middel geprobeerd in het begin van mijn angst en paniekaanvallen. Helaas kon ik de medicatie niet verdragen en werkte het voor mij juist averechts.)

Fluoxetine:
( Ook bekend als Prozac)
Wordt gebruikt bij: Depressie, obsessieve-compulsieve stoornis (angststoornis met dwanggedachten of dwanghandelingen), uit onderzoek blijkt dat Prozac ook effectief is bij: Paniekstoornis, effectief in het verminderen van het aantal paniekaanvallen, reduceert de anticipatieangst (angst voor de angst) en heeft een gunstig effect op eventueel aanwezig vermijdingsgedrag. posttraumatische stress-stoornis, herbeleven, vermijdingsgedrag en de verhoogde prikkelbaarheid verminderen. Sociale fobie, sociale angst en sociaal vermijdingsgedrag verminderen.

Oxazepam:
( Ook wel bekend als Seresta)
Oxazepam is een effectief anxiolyticum (angstdempend middel). Evenals andere benzodiazepinen heeft oxazepam naast anxiolytische ook sedatieve (kalmerende), hypnotische (slaap bevorderende), spierverslappende en anticonvulsieve (tegen toevallen) eigenschappen.
( Ik heb dit middel zelf, sinds januari 2009 wordt dit eveneens als alles wat eindigt op pam, niet meer vergoed door het ziekenfonds. Ik gebruik het zelden, en heb maar een half tabletje nodig om me rustiger te voelen of bijvoorbeeld rustig en ontspannen in slaap te kunnen vallen.)


woorden/begrippen volgens wikipedia


Agorafobie :
Agorafobie is een psychische aandoening die in het DSM-IV wordt gezien als onderdeel van verschillende angststoornissen. De naam is afkomstig uit het Grieks :
agora betekent markt en fobos betekent angst of vrees.

Paniekaanval:
Een paniekaanval is een uiting van intense angst die meestal plotseling begint en niet lang duurt ( meestal enkele minuten tot een half uur). De symptomen zijn onder andere beven, sterk zweten, pijn in de borst, hartkloppingen, duizeligheid, misselijkheid en een tintelend gevoel           ( meestal in handen en benen), benauwdheid en hyperventilatie. Vaak treden mogelijk sterke vecht- of vlucht reacties en depersonalisatie op. Een paniekaanval gaat gepaard met de angst om flauw te vallen of dood te gaan.


Hyperventilatie:
Hyperventilatie betekent letterlijk te veel (hyper) ademen (ventilatie).


Hypochonder :
Hypochondrie is een psychische aandoening die in het DSM-IV is ingedeeld in somatoforme stoornissen. Een andere naam voor de aandoening is ziektevrees. Wie aan hypochondrie lijdt heeft last van een overmatige angst om een ernstige ziekte te hebben, terwijl hiervan uit onderzoek niet blijkt.
 

Psychische aandoening :
Een psychische aandoening (ook wel
psychische stoornis) is een stoornis die wordt gekenmerkt door afwijkende ervaringen en gedrag. Psychische aandoeningen worden onder andere vastgesteld aan de hand van het observeren van gedrag.

Psycholoog:
Een psycholoog is een expert in de psychologie maar een psycholoog is geen arts! Een psycholoog is geiintresseerd in de achterliggende denk/voel/beleef/hersenprocessen.


Psychiater:
Een psychiater is een arts die zich gespecialiseerd heeft in de psychiatrie.Een psychiater mag ook medicatie voorschrijven een psycholoog daarin tegen niet.


Artikelen Agorafobie e.d


Recente ontwikkelingen in de behandeling van paniekstoornis en agorafobie
(A. Bakker)
Achtergrond: Het onderzoek naar de meest effectieve behandeling van paniekstoornis en agorafobie is doorlopend in beweging. Nieuwe behandelingen worden onderzocht, maar ook combinaties van bestaande behandelingen krijgen meer aandacht. Er is door deze ontwikkelingen behoefte aan een overzicht van de recente ontwikkelingen in de behandelingen van paniekstoornis en agorafobie.

Doel: Het geven van een overzicht van de behandelonderzoeken en meta-analyses die er de afgelopen jaren zijn verschenen over paniekstoornis en agorafobie.

Methode: Literatuur werd verzameld met behulp van Excerpta Medica, Psychinfo en Index Medicus. De literatuurverwijzingen behorende bij de aldus gevonden artikelen zijn er ook bij betrokken.

Resultaten: Uiteenlopende psychotherapeutische en medicamenteuze interventies zijn effectief bevonden in gecontroleerd onderzoek. Directe vergelijkingen tussen psychotherapie en medicatie worden te weinig gedaan en laten uiteenlopende bevindingen zien. Er zijn duidelijke aanwijzingen dat het combineren van een antidepressivum met exposure-in-vivo-therapie effectiever is dan de afzonderlijke behandelingen of andere combinatiebehandelingen. Het voordeel van deze
combinatie is vooral het reduceren van agorafobisch vermijdingsgedrag.

Conclusie: Hoewel erg veel onderzoek is verricht naar de effectiviteit van verschillende behandelingen op korte termijn, is nog weinig bekend over de optimale behandelduur, het op elkaar afstemmen van verschillende interventies, de vervolgstappen bij non-respons en de invloed van comorbiditeit op de uitkomsten van behandeling.

(Bron : tijdschrift voor psychiatrie 43 (2001) 6, 385-394)

Sinds de diagnose ‘paniekstoornis met of zonder agorafobie’ in 1980 werd opgenomem in de derde editie van de dsm (Diagnostic and Statistical Manual of mental disorders, American Psychiatric Association 1980), zijn er tientallen publicaties verschenen die de behandeling van
deze stoornis tot onderwerp hebben. Dit betekende dat de agorafobie, die in eerdere edities van de dsm (en andere classificatiesystemen) op de voorgrond stond, in eerste instantie aan belangstelling verloor. In de jaren zeventig werd in Nederland door met name Emmelkamp
(Emmelkamp & Ultee 1974; Emmelkamp & Wessels 1975; Emmelkamp 1980) al veel onderzoek verricht naar de gedragstherapeutische behandeling van agorafobisch vermijdingsgedrag. In de jaren tachtig kwamen in het bijzonder de biologische aspecten van de paniekstoornis
in de belangstelling te staan. In ons land werden in die periode vooral door Den Boer &Westenberg (Den Boer e.a. 1987; Den Boer & Westenberg 1988; Den Boer & Westenberg 1990) medicamenteuze behandelonderzoeken verricht. De ontwikkeling van specifieke psychotherapeutische interventies gericht op het bestrijden van panieksymptomen, met als bekendste voorbeeld de cognitieve therapie gebaseerd op het model van Clark (1986), resulteerde in het afgelopen decennium in een nieuwe reeks van publicaties vanuit vooral de psychologische hoek, ook in Nederland (Beck e.a. 1992; Clark e.a.
1994; Öst & Westling 1995; Arntz & Van den Hout 1996). Doordat langzamerhand duidelijk was geworden dat medicamenteuze behandeling van paniekklachten ook het agorafobische vermijdingsgedrag gunstig beïnvloedde (Zitrin e.a. 1983; Mavissakalian & Perel 1992), ontstond een situatie waarin de effectiviteit van verschillende psychotherapeutische en medicamenteuze behandelingen
van zowel paniekstoornis als agorafobie duidelijk was aangetoond. Dit leidde er vervolgens toe dat zowel onderzoeken werden opgezet waarin een directe vergelijking plaatsvond van specifieke psychologische en farmacologische interventies (bijvoorbeeld Black e.a. 1993), als dat onderzocht werd of het combineren van bepaalde behandelingen een toegevoegde waarde had (bijvoorbeeld De Beurs e.a. 1995). Ook verschenen diverse meta-analyses, die eveneens ten doel hadden uitspraken te doen over de relatieve effectiviteit van de uiteenlopende behandelingsalternatieven (Van Balkom e.a. 1995). In dit artikel zal aan de hand van recente literatuur een overzicht worden gegeven van de stand van zaken met betrekking tot de behandeling van paniekstoornis en agorafobie. Eerst worden de psychotherapeutische en medicamenteuze behandelingen afzonderlijk besproken, daarna de onderzoeken waarin deze direct vergeleken zijn en vervolgens de behandelingen die beide combineren. Bij de bespreking van de behandelonderzoeken zullen ook meta-analytische bevindingen worden gerapporteerd. Tot besluit zal in de discussie worden ingegaan op de
lacunes in de op dit moment beschikbare kennis over de behandeling van paniek en agorafobie, en zullen een aantal suggesties voor nader onderzoek worden gedaan.

Methode
De literatuur voor dit artikel werd verzameld met behulp van Excerpta Medica, Psychinfo en Index Medicus, met als trefwoorden panic disorder,
agoraphobia, treatment en therapy. Dit werd uitgebreid door het opvragen van artikelen uit de literatuurverwijzingen van de gevonden artikelen. In geval van een groot aantal referenties bij een bepaalde bevinding werd gekozen voor het refereren aan een recent artikel dat een goed overzicht biedt op het betreffende punt. De gevonden behandelonderzoeken betreffen in de meeste gevallen kortetermijnbehandelingen, meestal met een duur van acht tot twaalf weken. Wanneer het artikelen betreft die handelen over
een langere behandelperiode, wordt dit expliciet vermeld.

Psychotherapeutische behandeling
Van de psychologische interventies die zich primair richten op het bestrijden van paniekaanvallen, is de cognitieve therapie het uitvoerigst
gedocumenteerd. Deze behandeling is vooral gebaseerd op het model van paniekaanvallen van Clark (1986). Een paniekaanval is in dit model het gevolg van een zogenaamde catastrofale misinterpretatie van een interoceptieve waarneming. Zo kan iemand de hartkloppingen die hij bij
zichzelf waarneemt, ten onrechte interpreteren als eerste verschijnselen van een dreigend hartinfarct. De angst die daarvan het gevolg is, leidt tot een verdergaande autonome hyperactiviteit, die aanleiding geeft tot nog meer lichamelijke sensaties, gevolgd door nog meer angst, enzovoort. Deze neerwaartse spiraal (‘paniekcirkel’) kan uiteindelijk
resulteren in een paniekaanval. Door middel van een zogenaamde socratische dialoog daagt de cognitieve therapeut de patiënt uit deze
disfunctionele gedachten op te geven en te vervangen door meer rationele verklaringen. Dit gebeurt door de patiënt argumenten te laten verzamelen voor de cognities die hij bij een paniekaanval
heeft. In dit voorbeeld kan de patiënt in de bibliotheek nazoeken of hartkloppingen voorkomen als voorbode van een hartinfarct.
Uiteindelijk vervangt de patiënt dan het irrationele causale verband tussen hartkloppingen en een hartaanval door de rationele gedachte dat
hartkloppingen spontaan kunnen optreden en ongevaarlijk zijn. Dit laatste kan nog worden getoetst door een gedragsexperiment. Men kan
de patiënt bijvoorbeeld suggereren om bij hartkloppingen
lichamelijke inspanning te verrichten, als bewijs dat er geen sprake is van een hartinfarct (Beck 1988; Salkovskis e.a. 1991). Met cognitieve therapie wordt 40 tot 90 procent van de patiënten paniekvrij (Bakker e.a.
1999). Dit is in de regel meer dan het aantal patienten dat verbetert door een controlebehandeling. De belangrijkste verklaring voor de verschillen in uitkomst tussen de tot op heden gepubliceerde behandelonderzoeken lijkt gelegen in de geselecteerde onderzoekspopulaties: naarmate er meer sprake is van agorafobisch vermijdingsgedrag gaan de succespercentages omlaag (Bakker e.a. 1999). Naast de cognitieve therapie zijn er verschillende gedragstherapeutische technieken ontwikkeld om paniekklachten terug te dringen. Het gaat daarbij onder meer om ontspannings- en ademhalingsoefeningen en exposure-oefeningen, waarbij de patiënt zich blootstelt aan de angstwekkende verschijnselen die ook bij een paniekaanval kunnen optreden (‘exposure to interoceptive
cues’). Wanneer ontspanningsoefeningen gecombineerd worden met coping-technieken en cognitieve methoden spreekt men van applied relaxation (Öst 1987). Al deze technieken zijn in wisselende mate effectief gebleken; het percentage paniekvrije patiënten wisselt nogal. In een meta-analyse van de behandelonderzoeken die tot 1995 waren gepubliceerd en die rapporteerden over bovengenoemde interventies, werden cognitieve therapie en bovengenoemde vormen van gedragstherapie geclusterd als ‘psychologische paniekremming’. Naast hun effectiviteit met betrekking tot paniekklachten bleken deze behandelingen ook effectiever dan een controlebehandeling in het terugdringen van agorafobisch vermijdingsgedrag, depressieve klachten en de ernst van algemene angstverschijnselen (Van Balkom e.a. 1997). Controlebehandelingen kunnen worden onderscheiden in een ‘placebopsychotherapie’ (een niet-specifieke ‘psychotherapie’ waarbij niet gericht wordt gewerkt aan het verminderen van de symptomen van de paniekstoornis), plaatsing op een wachtlijst (met dezelfde metingen als in de actieve behandeling worden gedaan) of een placebo (een pil zonder werkzame stof). Deze uiteenlopende controlebehandelingen gaan in de regel gepaard met enige verbetering van de klachten, en verschillen niet van elkaar in de grootte van hun effect (Van Balkom e.a. 1997). Exposure in vivo is een behandeling die zich in tegenstelling tot de ‘psychologische paniekremming’ specifiek richt op het doorbreken van agorafobisch vermijdingsgedrag. Het systematisch blootstellen aan angstwekkende situaties door middel van exposure in vivo vormt de meest geëigende behandeling van agorafobie. Het principe hiervan berust op het feit dat bij langdurige blootstelling aan een gevreesde situatie gewenning optreedt. In de regel geschiedt exposure volgens
een hiërarchie. Therapeut en patiënt stellen een programma samen met situaties die een toenemende moeilijkheidsgraad bezitten. Essentieel
is dat de exposure lang genoeg duurt (ten minste zestig minuten), omdat alleen dan de ervaring van afname van angst de patiënt kan leren dat deze situaties niet zo bedreigend zijn als verwacht. De effectiviteit van exposure bij het bestrijden van vermijding is in tientallen onderzoeken
aangetoond. Er zijn vele varianten mogelijk: met of zonder partner, in aan- of afwezigheid van de therapeut, alleen of in een groep. Zelfs bij het vervangen van de therapeut door een computerprogramma behoudt exposure zijn effectiviteit (voor een overzicht zie Emmelkamp e.a.
1995). In de eerder genoemde meta-analyse was exposure in vivo overigens niet effectiever dan een controlebehandeling in het terugdringen van paniekaanvallen en paniekgerelateerde symptomen (Van Balkom e.a. 1997). Hoewel er vooral in de Verenigde Staten nu
ook getracht wordt om met gecontroleerd onderzoek de werkzaamheid van psychodynamische psychotherapie bij de behandeling van paniekstoornis aan te tonen, zijn gegevens hierover nog niet gepubliceerd. Wel verscheen er een interessant onderzoek, dat liet zien dat het terugvalpercentage na behandeling met een antidepressivum
sterk afnam indien er een kortdurende psychodynamische psychotherapie aan werd toegevoegd (Wiborg & Dahl 1996).

Medicamenteuze behandeling
Bij de medicamenteuze behandeling van paniek kan men kiezen uit antidepressiva of benzodiazepinen. Bètareceptorblokkerende sympathicolytica, die nogal eens worden voorgeschreven wanneer cardiale verschijnselen bij een paniekaanval op de voorgrond staan, en middelen als buspiron zijn niet effectiever dan een placebo. De meest uitvoerig onderzochte medicamenten voor de behandeling van paniekaanvallen zijn op dit moment de antidepressiva uit de groep van de selectieve serotonineheropnameremmers (ssri’s). Van alle in Nederland verkrijgbare ssri’s is in gecontroleerde onderzoeken effectiviteit aangetoond bij de bestrijding van paniekaanvallen (Bakker e.a. 2000). Van de overige antidepressiva zijn vooral de tricyclische antidepressiva (tca’s) imipramine en clomipramine uitvoerig onderzocht (Gloger e.a. 1981; Mavissakalian & Perel 1992). De niet-selectieve remmers van het monoamino-oxidasesysteem (mao-remmers) zijn ook effectief, maar niet meer geregistreerd in Nederland. Zij blijven daarom verder buiten beschouwing. De werkzaamheid van antidepressiva bij de bestrijding van paniekklachten berust waarschijnlijk voornamelijk op – directe of indirecte – beïnvloeding van het serotonerge systeem. Van antidepressiva die dit systeem niet beïnvloeden, is de werkzaamheid in gecontroleerd onderzoek niet aangetoond (Den Boer & Westenberg 1988). Met antidepressiva wordt na zes weken 50 tot 70 procent van de patiënten paniekvrij (Bakker e.a. 1999). De ssri’s zijn zeker zo effectief als de tca’s (Lecrubier e.a. 1997). Tijdens de eerste twee weken van de behandeling kunnen de paniekaanvallen in ernst en frequentie toenemen, hoewel een goede uitleg van de mogelijk als bijwerking optredende lichamelijke sensaties dit meestal voorkomt. Ook kan, om een eventuele toename van klachten te voorkomen, de dosering van het antidepressivum langzamer worden verhoogd dan bij de behandeling van depressie gebruikelijk is. Dit betekent dat in de eerste week de helft van de minimaal effectieve dosering wordt voorgeschreven. De gemiddelde dagdosis is individueel bepaald en ligt ten minste net zo hoog als de doses die gelden voor de depressieve stoornis. Bij de ssri’s ziet men verder voornamelijk bijwerkingen als misselijkheid, hoofdpijn en agitatie. Frequente bijwerkingen van tca’s zijn anticholinerge symptomen, sufheid, orthostatische hypotensie, hartritmestoornissen en een sterk vertraagde reactietijd. Bij zowel tca’s als ssri’s kunnen reversibele seksuele functiestoornissen optreden. Vooral wegens bijwerkingen staakt ongeveer 20 procent van de patiënten de behandeling met een ssri voortijdig, terwijl dit percentage voor tca’s op 30 ligt (Lecrubier e.a. 1997). Wegens het frequenter optreden van bijwerkingen bij tca’s worden de ssri’s algemeen beschouwd als middelen van eerste keus bij de medicamenteuze behandeling van paniekstoornis (Papp e.a. 1997; Van Balkom & Van Vliet 1999). De benzodiazepinen die primair gebruikt worden bij de behandeling van de paniekstoornis, zijn de zogenaamde high-potency-benzodiazepinen alprazolam, lorazepam en clonazepam (Van Balkom & Van Vliet 1999). In vergelijking met de antidepressiva zijn voordelen van deze middelen dat ze vrijwel direct werken wanneer de patiënt op een adequate dosering is ingesteld en dat er weinig bijwerkingen optreden. De doseringen zijn wel hoog, voor het meest onderzochte middel, alprazolam, tussen 2 en 6 mg per dag. Met high-potency-benzodiazepinen wordt net als bij de antidepressiva ongeveer 60 procent van de patiënten paniekvrij. De effectiviteit na zes weken is voor antidepressiva en high-potencybenzodiazepinen niet verschillend, ook indien het hogere percentage drop-outs bij de antidepressiva wordt meegewogen (Wilkinson e.a. 1991; Van Balkom e.a. 1997). Wegens de vervelende complicaties bij langdurig gebruik van benzodiazepinen (onttrekkingsverschijnselen, rebound-klachten, afhankelijkheid en cognitieve problemen) verdienen ssri’s en – bij onvoldoende respons – tca’s duidelijk de voorkeur bij medicamenteuze behandeling van paniekangst (Van Balkom & Van Vliet 1999). Antidepressiva en high-potency-benzodiazepinen zijn net als de meeste psychotherapeutische interventies effectiever dan een controlebehandeling (in dit geval vrijwel altijd een placebo) in het terugdringen van agorafobische klachten en in het verlagen van het algemene angstniveau. Daarnaast zijn antidepressiva in tegenstelling tot benzodiazepinen ook werkzaam in het terugdringen van de veel voorkomende depressieve klachten van patiënten met paniekstoornis (Van Balkom e.a. 1997). Ook op lange termijn zijn veel van de besproken psychofarmaca effectief gebleken, waarbij moet worden opgemerkt dat het daarbij in de regel gaat om evaluaties tijdens gecontinueerd gebruik. Vooral bij de benzodiazepinen ziet men na afbouw van het middel hoge terugvalpercentages (Marks e.a. 1993).

Psychotherapeutische versus
Medicamenteuze behandeling
Er zijn een aantal onderzoeken waarin het effect van medicatie werd vergeleken met dat van psychotherapie. Dit zijn er echter veel te weinig, en in een zeer recent artikel wordt terecht gesteld: ‘comparative treatment studies, conducted jointly by the collaboration of experts in each technique are necessary for solid therapeutic evidence. Unfortunately, few such comparative studies are on the horizon’ (Klein 2000). Hier volgt een overzicht van wat wel beschikbaar is aan gegevens. In onderzoeken van Black e.a. (1993) en Bakker e.a. (1999) werd therapie met ssri’s (respectievelijk fluvoxamine en paroxetine) vergeleken met cognitieve therapie. In beide onderzoeken was cognitieve therapie niet significant beter dan behandeling met een pilplacebo, terwijl de behandelingen met de beide ssri’s dat wel waren. In het laatstgenoemde onderzoek bleek paroxetine op de meeste maten eveneens significant beter dan behandeling met cognitieve therapie (Bakker e.a. 1999). In een onderzoek van Clark e.a. (1994) was cognitieve therapie echter succesvoller dan het tca imipramine. Waarschijnlijk spelen verschillen tussen de onderzochte patiëntenpopulaties een grote rol bij het ontstaan van dergelijke uiteenlopende bevindingen: in het onderzoek van Clark e.a. werden geen patiënten met matige of ernstige agorafobie ingesloten, wat een grote rol lijkt te hebben gespeeld in de uitkomst van dit onderzoek en andere onderzoeken met vergelijkbaar gunstige uitkomsten van de cognitieve therapie. De stelling lijkt gerechtvaardigd dat cognitieve therapie minder succesvol is naarmate er meer agorafobisch vermijdingsgedrag is dat de paniekstoornis compliceert (Bakker e.a. 1999). Op het onderzoek van Clark werd daarnaast aangemerkt dat voor
veel patiënten de dosering van imipramine hoger had moeten zijn en dat dit antidepressivum niet het meest logische middel was voor een vergelijking, gezien de beschikbaarheid van middelen met een veel milde  bijwerkingenprofiel. In onderzoeken waarin de effectiviteit van
alprazolam werd vergeleken met gedragstherapie, waren de resultaten die bereikt werden met gedragstherapie beter dan placebobehandeling, terwijl de resultaten met alprazolam dit niet waren (Klosko e.a. 1990; Marks e.a. 1993). In een relatief klein onderzoek vergeleken Sharp e.a. (1996) onder meer een combinatie van cognitieve therapie en exposure in vivo (meestal aangeduid als cognitieve gedragstherapie) met fluvoxamine. Beide behandelingen bleken significant effectiever dan placebobehandeling, maar een onderlinge vergelijking liet geen verschil zien. De uitkomsten van de meta-analyses die zijn gepubliceerd, verschillen in hun conclusies met betrekking tot de relatieve effectiviteit van psychotherapie en farmacotherapie (voor een bespreking zie Van Balkom e.a. 1995). In de meest recente en tevens omvangrijkste meta-analyse werden geen significante verschillen gevonden tussen ‘psychologische paniekremming’, exposure in vivo, antidepressiva en high-potencybenzodiazepinen in het terugdringen van paniekklachten, agorafobische vermijding, depressieve symptomatologie of algemeen angstniveau (Van Balkom e.a. 1997). Zoals hieronder zal worden toegelicht, geldt dat niet voor de combinatie van bepaalde interventies, die wel vaak resulteert in een significant grotere vooruitgang.

Gecombineerde behandelingen
Reeds in de jaren tachtig verschenen een aantal publicaties over onderzoeken waarin de combinatie van imipramine met exposure tot significant betere uitkomsten leidde dan deze behandelingen afzonderlijk (Zitrin e.a. 1980; Mavissakalian e.a. 1983; Marks e.a. 1983; Telch e.a. 1985; Mavissakalian & Michelson 1986). In toenemende mate zijn dergelijke gecombineerde behandelingen de klinische praktijk. Tot een toename van het aantal behandelonderzoeken waarin dit het onderwerp van onderzoek is, heeft dit echter niet geleid. Pas in 1995 verschijnen de eerste onderzoeken waarin over de werkzaamheid van de combinatie van een ssri met psychotherapie wordt gerapporteerd (De Beurs e.a. 1995; Oehrberg e.a. 1995). In het onderzoek van De Beurs e.a. (1995) i  de belangrijkste bevinding dat de combinatie van fluvoxamine en exposure in vivo superieur is aan psychotherapie zonder dit antidepressivum. Helaas was in dit onderzoek geen behandeling met uitsluitend fluvoxamine opgenomen. Deze bevinding wordt gerepliceerd in het al eerder vermelde onderzoek van Sharp e.a. (1996). In een onderzoek waarin de combinatie van paroxetine en cognitieve therapie werd vergeleken met een controlebehandeling bestaande uit cognitieve therapie en een pilplacebo, bleek de combinatie met paroxetine significant beter werkzaam (Oehrberg e.a. 1995). De geringe verbetering in de controlegroep, waarin dus wel een actieve behandeling werd gegeven, doet vermoeden dat de kwaliteit van de cognitieve therapie
onvoldoende is geweest. In een tweetal onderzoeken naar de effectiviteit van de combinatie van alprazolam en exposure bleek deze combinatie slechts zinvol tijdens het gebruik van alprazolam: na afbouw van de medicatie gingen de meeste patiënten weer achteruit (Marks e.a. 1993; Echeburúa e.a. 1993). Omdat dit bij de onderzoeken waarin imipramine gecombineerd werd met exposure niet zo was, lijkt de combinatie van een benzodiazepine met psychotherapie gedurende langere termijn voor de klinische praktijk minder aanbevelenswaardig. Dit staat los van de eerder gemelde nadelen die aan het gebruik van benzodiazepinen verbonden zijn. Hoewel het aantal onderzoeken dat behandeling met de combinatie van een antidepressivum met exposure tot onderwerp heeft, relatief klein is, werd in de meta-analyse van Van Balkom e.a. (1997) gevonden dat die behandeling superieur is aan de niet-gecombineerde behandelingen in het terugdringen van agorafobisch vermijdingsgedrag. Over de effecten op langere termijn is bekend dat de vooruitgang die tijdens de kortetermijnbehandeling is geboekt, in de regel behouden blijft en dat de patiënten die zijn behandeld met een combinatie van een antidepressivum met exposure, ook bij follow-up minder vermijdingsgedrag vertonen (Bakker e.a. 1998). De belangrijkste beperking van deze bevinding is het gebrek aan informatie over wat tussen het einde van de behandeling en het moment van follow-up is gebeurd: in meer dan 80 procent betreft het naturalistische follow-upgegevens (Bakker e.a. 1998). Vermoedelijk heeft in de meeste gevallen wel nabehandeling met medicatie en/of psychotherapie plaatsgehad.

Discussie
Onbehandeld hebben paniekstoornis en agorafobie een zeer langdurig, wisselend beloop met periodes van verbetering en plotselinge verergering. Er zijn echter verschillende psychotherapeutische en medicamenteuze behandelopties die zeer effectief zijn in het bestrijden van de klachten die in verband staan met paniek en agorafobie. Er zijn geen aanwijzingen dat er een zelfstandige behandeling is die superieur is aan andere opzichzelfstaande interventies. Alleen het combineren van een antidepressivum met exposure in vivo lijkt aan de afzonderlijke behandelingen iets toe te voegen, vooral een grotere afname van het agorafobische vermijdingsgedrag. Over het percentage patiënten dat na het staken van een behandeling klachtenvrij blijft, bestaat nog weinig duidelijkheid. De kans dat zich een nieuwe klachtenepisode voordoet, lijkt groter te worden naarmate de follow-upperiode langer wordt. Daar komt bij dat iemand die na behandeling van een paniekstoornis klachtenvrij is geworden, ook daarna nog een duidelijk verhoogd risico heeft op het ontwikkelen van andere affectieve stoornissen, zoals een depressie (Roy- Byrne e.a. 2000). Ook vele andere klinisch relevante vragen zijn nog niet afdoende beantwoord. Vooral de optimale behandelduur en het op elkaar afstemmen van verschillende behandelmogelijkheden moeten nader onderzocht worden. In de meeste
behandelonderzoeken wordt gerapporteerd over behandelingen die in de regel niet meer dan drie maanden in beslag nemen. In deze periode vinden bij cognitieve en gedragstherapeutische interventies acht tot twaalf zittingen plaats. Het blijkt echter dat nabehandeling vaak noodzakelijk is, soms zelfs gedurende jaren, zij het in een veel lagere frequentie. Als gekozen wordt voor medicamenteuze behandeling, moet men uitgaan van een behandeltermijn van ten minste zes tot negen maanden nadat de werking van het middel is opgetreden. Tegenwoordig wordt echter steeds vaker geadviseerd veel langer door te
gaan met succesvolle medicatie, zeker als er sprake is geweest van eerdere episodes van paniek en/of depressie. Ondubbelzinnige data liggen aan deze aanbevelingen overigens (nog) niet ten grondslag. Bij het combineren van een antidepressivum en exposure in vivo wordt de patiënt in de regel eerst ingesteld op de medicatie, alvorens hij een exposure-programma uit gaat voeren (De Beurs e.a. 1995), maar over het moment van afbouw van de medicatie in relatie tot de psychotherapie (voor, tijdens of na) is nagenoeg niets bekend. Ook naar de te volgen stappen indien een patiënt geen respons vertoont op een ingezette behandeling, is vrijwel geen systematisch onderzoek verricht. Voor de medicamenteuze behandeling wordt op dit moment aanbevolen om te beginnen met een ssri, en indien dit onvoldoende effect heeft een andere ssri te proberen. Daarna volgen achtereenvolgens de tca’s en de
high-potency-benzodiazepinen (Van Balkom & Van Vliet 1999). Uiteraard is aanvulling van medicamenteuze behandeling met gedragstherapie of omgekeerd een vrijwel obligate vervolgstap indien onvoldoende verbetering optreedt. Het bestaan van duidelijke agorafobische klachten
moet aanleiding zijn tot de overweging een exposure-programma aan eventuele andere op het bestrijden van paniekklachten gerichte interventies toe te voegen. Ten slotte is het belangrijk om bij de bepaling
van een therapie rekening te houden met eventuele, veel voorkomende, comorbide aandoeningen. Behandeling van patiënten met paniekstoornis met comorbide depressie is bijvoorbeeld minder succesvol dan van patiënten zonder deze comorbiditeit (Rief e.a. 2000).

( Bron : tijdschrift voor psychiatrie 43 (2001) )



Aspartaam :


De kunstmatige zoetstof aspartaam wordt samengesteld uit de chemische stoffen asparaginezuur, phenylalanine en methanol. Wanneer het in het lichaam is opgenomen, wordt de methanol of methylalcohol, omgezet in formaline en mierenzuur.
Formaline is een zenuwgif, het is tevens een kankerverwekkende stof. en wordt gebruikt bij het conserveren van lichamen. Ook wordt het gebruikt bij het uitgassen van besmette ruimten. Phenylalanine, werkt ook als neurotransmitter en is ook een zenuwgif wanneer het niet vergezeld wordt door de andere aminozuren uit eiwit. 
(Neem zeker een kijkje bij de sectie “ziekteverschijnselen” op de website van aspartaam.nl, zie links!) En je ziet dat deze stof helemaal niet onschuldig is! 

De meest voorkomende aandoening:

De aandoening die waarschijnlijk het meest voorkomt (misschien is het wel omdat we dit het gemakkelijkst waarnemen), is hoofdpijn.
Misschien drink je al jaren light frisdrank alsof het water is en heb je totaal geen last van hoofdpijn. Dit zou wel eens kunnen veranderen als je een tijdje (minstens één maand) geen aspartaam gebruikt. Je gevoeligheid voor de chemische stof verhoogt en wanneer je opnieuw light frisdrank drinkt (of een ander product met veel aspartaam), krijg je waarschijnlijk last van hoofdpijn.
Dr. James Braly, een allergie-expert uit Hollywood, Florida, zegt dat maar liefst 90% van alle hoofdpijnen veroorzaakt worden door voedselallergieën of zijn reacties op chemische additieven.
Daarnaast bevestigt Micheal T. Murray in zijn boek “Natural Alternatives” dat er geen twijfel is dat voedselallergieën de hoofdoorzaak zijn van migraineaanvallen. Aspartaam is één van de meest voorkomende stoffen waarop mensen zeer negatief reageren.

Ook wel bekend is dat Aspartaam onder andere ook paniekaanvallen veroorzaakt! Zie voor meer info Links naar de website Aspartaam, daar staan vele artikelen, en onder het kopje producten zie je een hele lijst staan van welk merk, waar te koop. Ook staat er een lijstje van medicijnen waar de stof aspartaam inzit. De site wordt regelmatig bijgewerkt. ( Ik kijk er zelf wel eens op als ik iets nieuws koop dan kijk ik van tevoren of er geen aspartaam inzit, altijd prettig om te weten.)